Plasterk: staanplaats in theater als optie voor bezuiniging
08 03 07 - 00:00Minister Plasterk van Cultuur ziet de terugkeer van het schellinkje, de laagste rang in een schouwburg, als oplossing voor bezuiniging. Hij liet dit dinsdag weten na het adviesrapport van de Raad voor Cultuur in ontvangst te hebben genomen.
Uit het regeerakkoord bleek dat het nieuwe kabinet 100 miljoen extra uittrekt voor cultuur en monumentenzorg. Maar er moet wel 50 miljoen bezuinigd worden op kunstsubsidies. Hiervoor wil het kabinet het profijtbeginsel toepassen waarbij de gebruiker betaalt. Onbetaalbaar
De Raad voor Cultuur heeft de minister gevraagd zich met het kabinet nog eens te bezinnen op dit plan. De kunstsector is bang voor forse prijsverhogingen. Met name de toegangskaartjes voor podiumkunsten zouden door deze maatregel onbetaalbaar worden. Volgens de Raad strookt dit niet met het voornemen van het kabinet om burgers meer bij cultuur te betrekken.
Plasterk zelf denkt dat dit negatieve effect voorkomen wordt door prijsverschillen in te voeren. De prijs voor galaconcerten op vrijdagavond verhogen en verlagen voor studentenconcerten op woensdagmiddag. En een prijsverschil tussen de eerste rang en het zogenaamde schellinkje.
Staanplaatsen
Henk Scholten, directeur van het Theater Instituut Nederland (TIN), vindt het ‘tamelijk treurig dat het profijtbeginsel weer van stal is gehaald.’ “En daarbij, Plasterk gaat helemaal niet over het schellinkje. In het Nederlandse systeem gaat het Rijk over de gezelschappen en de gemeenten over de podia. En de podia bepalen de toegangsprijzen.
Het schellinkje is trouwens niet voor niets afgeschaft. Het hoort bij de achttiende en negentiende eeuwse architectuur. Ik zou niet weten waar ik in de Utrechtse Schouwburg, als ik er nog directeur was, een schellinkje zou moeten inrichten. Staanplaatsen zijn ook verboden door de brandweer.”
Basisinfrastructuur
Vernieuwen en deelnemen zijn de twee steekwoorden in het adviesrapport van de Raad van Cultuur. Henk Scholten was bestuurslid toen het advies werd uitgewerkt. “Het spoort met de opvattingen in de sector zelf.”
Vorige week gaven theaters en de grotere toneelgezelschappen al aan meer te willen samenwerken. Op deze manier moeten er acht ‘toneelhuizen’ ontstaan in de grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Groningen, Arnhem, Eindhoven, Utrecht en Maastricht. In het rapport wordt deze ‘basisinfrastructuur’ verder uitgewerkt.
Subsidie afgeroomd
“Voor de kleinere gezelschappen hoeft dat helemaal geen achteruitgang te zijn. Het enige wat voor hen verandert, is dat de subsidie uit het nieuwe fonds komt en niet meer direct van het OCW. En er komen mogelijkheden voor vierjarige financiering.”
Scholten geeft aan dat het aantal gezelschappen dat structureel geld kreeg enorm is toegenomen. “Je zou kunnen zeggen dat de subsidie voor de grote gezelschappen de laatste acht jaar is afgeroomd omdat er steeds meer kleine bijkwamen.
Het plan van de Raad kan eigenlijk alleen maar goed worden uitgevoerd als er meer geld voor die basisinfrastructuur beschikbaar komt. En er is extra geld voor kunst en cultuur dus die ruimte moet er zijn.” Het is de bedoeling dat de acht steden ieder een eigen stadstheatergezelschap krijgen. Zij bespelen de acht verschillende podia.
Reisverplichting
Daarnaast willen de grote groepen van de reisverplichting af. Nu moeten ze nog op tournee door het hele land. Zij zien daarvoor liever een ‘reiswens.’ Scholten is ervan overtuigd dat ze met verschillende producties ook naar enkele tientallen andere schouwburgen zullen blijven reizen.
“En als je in een kleine plaats woont, ben je voor een grote musical ook wel even onderweg. Er is dus een kans dat je voor grootschalig theater twintig, dertig, misschien wel veertig km moet gaan afleggen. Scholten denkt dat vrije toneelproducties de gaten zullen opvullen die het gesubsidieerde toneel achterlaat. “En die zijn toch vaak van heel behoorlijke kwaliteit.”
Grotere ensembles
De stadstheatergezelschappen willen maximaal 25 spelers in huis hebben. “ Er zijn op dit moment twee, hooguit drie groepen die stukken kunnen uitbrengen met meer dan tien mensen op het toneel. En daarmee zeg ik niet hoe meer acteurs op het toneel, hoe beter de voorstelling. Ze moeten gewoon een breder repertoire kunnen brengen. En dat betekent grotere ensembles anders krijg je dat niet voor elkaar.”
Minister Plasterk gaat het rapport van de Raad met zijn ministerie bekijken en komt over honderd dagen met een reactie.
Gepubliceerd op TheaterCentraal.nl
Trackback link:Zet Javascript aan om een Trackback URL te genereren